thumb|right|450px|Oost-Indonesië thumb|right|De regio Groote Oost van Nederlands-Indië 1938–1946 thumb|right|De regio's van de staat Oost-Indonesië 1946-1950 Oost-Indonesië (in het Indonesisch Negara Indonesia Timur) (NIT) was een van de deelstaten (negara's) van de Verenigde Staten van Indonesië (Republik Indonesia Serikat) (RIS). De deelstaat werd op 23 december 1946 opgericht in Den Pasar (Bali) en opgeheven op 17 augustus 1950. Dit was de enige deelstaat van de RIS die echt van de grond kwam. Hij omvatte deels uitgaande van de Wallacelijn alle eilanden ten oosten van Borneo (Celebes, de Molukken en bijbehorende eilanden) en van Java (Bali en de Kleine Soenda-eilanden) met Makassar op Celebes (Sulawesi) als hoofdstad.

Achtergrond thumb|Van 18 tot 24 december 1946 werd ter uitvoering van de besluiten van het overleg in Malino de conferentie te Den Pasar (Bali) gehouden, waar de staat Oost-Indonesië werd gesticht. Het ontstaan van de deelstaat speelde zich af tegen de achtergrond van het streven naar onafhankelijkheid van Indonesië. Oost-Indonesië was in de eerste jaren na de oorlog grotendeels opnieuw onder Nederlands bestuur gekomen. Luitenant-gouverneur-generaal Hubertus van Mook, de hoogste gezagsdrager in Nederlands-Indië, was van mening dat het onafhankelijke Indonesië een federatieve staat zou moeten worden (zoals de Verenigde Staten van Amerika). De Nederlandse regering ging akkoord met dat beleid. Van Mook hield daartoe in het plaatsje Malino, dicht bij Makassar op Sulawesi, van 16 tot 24 juli 1946 een conferentie met Indonesische vertegenwoordigers uit Borneo en Oost-Indonesië (toen nog "de Grote Oost" genoemd). Daaruit kwam de oprichtingsvergadering te Den Pasar (18-24 december 1946) op Bali van de Negara Indonesia Timur voort.

Tegen de wens van de Republik De Republik Indonesia (RI), die vooral veel macht en invloed had op Java en Sumatra, zag de federalistische politiek als een poging om de Republik te verzwakken en als "verdeel-en-heerspolitiek" van Nederland. Zij pretendeerde alle Indonesiërs te vertegenwoordigen en zou in een federatie teruggebracht worden tot de status van deelstaat. Zij beschouwde de nieuw opgerichte deelstaten als vazalstaten van Nederland en streefde naar een eenheidsstaat (unitarisme). Volgens historicus J.J.P. de Jong was de keuze van Nederland voor een federale structuur niet bedoeld als verdeel-en-heerspolitiek maar een rechtstreeks gevolg van de situatie in de 'Buitengewesten', waar Nederland meer invloed had dan op Java en Sumatra.J.J.P. de Jong, Diplomatie of strijd, p. 149 Volgens de Jong waren de Indonesische federalisten in Malino geen vazallen, maar nationalisten; ook zij streefden naar onafhankelijkheid maar wel in overleg met Nederland, en meer geleidelijk.J.J.P. de Jong, De terugtocht, p.77 Het stichten van deelstaten was dan wel een initiatief van het Nederlandse koloniale bewind, maar in de overeenkomst van Linggadjati (1946) was de republikeinse regering (Sjahrir/Sukarno) akkoord gegaan met een federale structuur.John Jansen van Galen, Afscheid etc. p. 235 Dat werd nog eens bevestigd in de Renville-overeenkomst (1948) en de Van Roijen-Roem-verklaring (1949). Volgens de historica Petra Groen kwam dit beleid ook voort uit bezorgdheid over de positie van de buitengewesten en de minderheden (Chinezen, Arabieren, Indo-Europeanen).Petra Groen, Oprichting, functioneren en opheffing etc. p. 14

Nederlandse invloed In het begin was de Oost-Indonesische regering inderdaad nogal Nederlands georiënteerd. De oprichting van de deelstaat was een initiatief van en mogelijk gemaakt door het Nederlands gezag. Zonder de Nederlandse (financiële, administratieve en militaire) steun kon de deelstaat niet bestaan. Nederlandse bestuursambtenaren, bleven nog lange tijd als bestuurder of adviseur in functie en hadden dus invloed op het beleid. Veelzeggend was bijvoorbeeld dat een Nederlander, M. Hamelink, minister van Financiën was. Wel was het zo dat een democratisch gekozen volksvertegenwoordiging de grondwet zou vaststellen en dat is ook gebeurd. Opmerkelijk was ook dat de eerste voorzitter van het parlement, de jurist Tadjoeddin Noor (Tajuddin Noor) en laatste voorzitter van de inmiddels verboden Partai Nasional Indonesia op Zuid-Celebes, republikein was, maar hij was niet lang voorzitter. Er ontstond meteen onenigheid met het parlement en hij werd afgezet. Later werd hij adviseur van het Republikeinse bewind op Java. In principe zou de deelstaat het beleid bepalen en zouden de Nederlandse bestuursambtenaren het technisch-administratieve werk zouden doen. Volgens historicus Wim van den Doel waren het vooral de zelfbestuurders in Oost-Indonesië die profiteerden van de nieuwe situatie:

Hierbij waren de Nederlandse ambtenaren nog uitsluitend nodig voor het verlenen van 'technische hulp'. Dit betekende niets meer of minder dan de snelle afschaffing van het Binnenlands Bestuur, omdat de macht zou worden overgedragen aan de zelfbestuurders of daerah'''s in de staatH.W. van den Doel, Afscheid van Indië (2000) Waar gebrek was aan voldoende bekwame Indonesische bestuursambtenaren bleven Nederlandse BB-ambtenaren (resident, controleur etc.) in functie. Ook volgens J.J.P. de Jong werden de Nederlandse ambtenaren in hoog tempo door Indonesiërs vervangen.J.J.P. de Jong, Avondschot, p.43.George McTurnan Kahin (zie literatuuropgave) stelt daarentegen dat de Nederlands-Indische regering via deze ambtenaren grote invloed bleef houden op het beleid. Hij doet dit op basis van een aantal eigen waarnemingen en vermeldt geen bronnen. Daartegen kwamen protesten uit het Nederlandse ambtenarenkorpsJ.J.P. de Jong, De terugtocht p.142 en niet alle Nederlandse bestuursambtenaren werkten in het begin loyaal mee. Hoe de nieuwe verhoudingen precies lagen, bleek wel uit het conflict tussen de resident van Zuid-Celebes Lion Cachet en minister Anak Agung, waarbij de eerste begin december 1947 weigerde een Nederlandse commissaris van politie voor straf naar elders over te plaatsen, zoals Anak Agung wilde. Hierop eiste Anak Agung het vertrek van de resident omdat hij een zeker 'onvermogen' had om zich aan de 'nieuwe verhoudingen aan te passen'. Toen van Mook te kennen gaf hier iets anders over te denken, noemde Agung dit 'een belediging en een ergernis ... een ernstige inboeting aan prestige' en dreigde hij met aftreden. Een regeringscrisis kon Van Mook zich niet veroorloven, zodat Lion Cachet werd overgeplaatst naar Bangka.H.W. van de Doel, Afscheid van Indië, p. 267-268; Ide Anak Agung gde Agung, From the Formation of the State of East Indonesia. etc. p. 174. Volgens sommigen was de rol van Nederlandse bestuursambtenaren in het bestuur in de eerste jaren nog even groot als voor de oorlog.Interview met R.C. Kwantes. Petra Groen, Oprichting, functioneren en opheffing etc, Bijlage II

Overdracht van taken en bevoegdheden De overdracht van taken en bevoegdheden van de Nederlands-Indische regering (het "Land") naar die van de deelstaat voltrok zich geleidelijk. Een aantal beleidstaken bleven in handen van het Land en zouden later overgaan naar een centrale federale regering, zoals Buitenlandse zaken en Defensie. De Oost-Indonesische federalisten voelden zich daardoor achtergesteld bij de Republik Indonesia, die dat zelf in handen had. Het feit dat de deelstaat niet over een eigen leger beschikte, zou later cruciaal blijken te zijn. Een plan om de staatspolitie beter te bewapenen stuitte op verzet van zowel de Nederlands-Indische regering als die van de Republik. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) zou tot de soevereiniteitsoverdracht de orde in Oost-Indonesië blijven handhaven. Ook dat versterkte het beeld van de NIT als vazalstaat. thumb|Gezicht op de haven van Makassar (1948) thumb|Toegangspoort tot het parlementsgebouw in Makassar (1948) thumb|right|President Sukawati met zijn Franse vrouw tijdens een bezoek aan de Minahasa op Celebes in 1948

Het eerste jaar: aan de leiband Tjokorda Gde Rake Sukawati was de eerste en enige president van de deelstaat. Er was voor de oprichtingsvergadering in Den Pasar een voorlopige volksvertegenwoordiging gekozen die later als Voorlopig Vertegenwoordigend Lichaam (VVL) het parlement vormde. De verkiezingen waren min of meer democratisch, dat wil zeggen: er was nog een aanzienlijke invloed van de traditionele adellijke "zelf-bestuurders" (vorsten). Het zelfbestuur door inlandse vorsten, dat wil zeggen een gedeeltelijke autonomie in bepaalde gebieden, was een erfenis van het koloniale bestuur. Verder waren er vergaderbeperkingen voor en verkiezings-boycots door sommige radicale republikeinse groepen (aanhangers van de RIOveral waar over republikeinen wordt gesproken wordt bedoeld: aanhangers van de Republik Indonesia). Een aantal leden waren niet gekozen maar benoemd om de minderheden te vertegenwoordigen. Een groot gedeelte van de plattelandsbevolking was niet politiek geïnteresseerd en het analfabetisme was nog groot. Politieke partijen speelden nog niet zo'n grote rol. Men stemde op een persoon, niet op een partij, voor zover die er al waren. Toch was er een aanzienlijke "republikeinsgezinde" vertegenwoordiging in het VVL. De invloed van republikeinen op de plattelandsbevolking werd ook steeds groter. Er was dus een stevige republikeinse oppositie. De fractievorming van gelijkgestemde volksvertegenwoordigers vond pas plaats in de praktijk van de parlementaire besluitvorming. De meerderheid steunde de regering zodat die ook nog een tijdlang met blanco volmacht kon regeren. Door onenigheid in het parlement tussen de republikeinen en regeringsgezinden kon er in het eerste jaar niet veel werk verzet worden. Nadjamuddin, de eerste minister-president, voerde een pro-Nederlands beleid tot hij werd afgezet wegens corruptie. Hij werd opgevolgd door premier Warouw, die nog duidelijker een pro-Nederlandse koers volgde. Het kabinet Warouw echter werd, omdat het de eerste politionele (c.q. militaire) actie steunde, door het parlement met een motie van wantrouwen naar huis gestuurd.Ide Anak Agung gde Agung, From the Formation of the State of East Indonesia. etc. p. 332

Een nieuwe koers